Ee ad

oes nadi ‚, hd

er

SE

» ad Pd eds E 5 5 N - han ear

EP iin

wl

AR ede CTED

ZTA rd

nnn

(8 4 ki

4,

el en E & 2 « & | ze ge %

zi

| B | el

te

ALBUM DER NATUUR.

EEN WERK

TER VERSPREIDING VAN NATUURKENNIS

ONDER BESCHAAFDE LEZERS

ONDER REDACTIE VAN

GRONINGEN , GEBROEDERS HOITSEMA. k80 7.

STOOMSNELPERSDRUK, —- GEBROEDERS HOITSEMA, GRONINGEN.

ENGEL Oral.

Iets over de ethnologie van Europa; door Dr". D. LugacH …. Blz. 1, 65.

Sirocco in de Majave-woestijn; door He.. . . . Blz. Over het mijngas en de middelen om de ontploffing daarvan te voorkomen; door: Mr.J. A. VAN/BIR „ers vol bh zene |kda te De natuurwetenschappen en de misdaad; door Dr. D. mise: rd Gevaren der weervoorspelling; door He. . . . > De uitbarsting van den Vesuvius in 1631. . . . Iets over parthenogenesis bij vlinders; door R. SINIA . . . » Betschernering; doof. W-°GLEUNS, IR. „rsorasld aA U toi Geheugen van een duif; door HARTING . …. «eee > neons doorsyeblie «00 vers vantanlies batons subs me Reen oon P. HARTING 00 ee ore t moter Blas 97120, De Huiszwam (Merulis lacrymans); door F. W. vaN Erepen . . Blz. Duurzaamheid van het stuifmeel der planten; door v. H.. . . » Bensmerkwaardige hoos: dor LR; ‚ot „rose moge en dl born® De vogelscharen van Spitsbergen; door He. . ee» Onderzeesche telegraafkabels; door Dr. A. T. Reitsma. . »

Gebruik van den elektrischen telegraaf bij de vischvangst; door Ho. »

De bosschen van Kennemerland; door F. W. v. ErpenN Blz. 148, 183, Vruchtenmarkt te Nieuw-York; door v. H. . . . Blz. Wenscheubltazers: door He. ar, —ah arten bi kels falter anenrtetn Het begrip van anthropologie; door Lb. . .... f »

Algensporidiën de naaste oorzaak der es omde chek gemis door Hear nis t hard Bak a . SP Twintig maanden op de Andkland- ailanden in de Zaidnad: ie (Eene Robinsonade uit den tegenwoordigen tijd); door Dr". A. (EES FOERISMA eek RE RE et NN NE | Het steenkolen- eek: door Ed der : en ark Merkwaardig voorbeeld van instinct; door F. A. Behe 19

16.

E7. 28. 82. 93.

161. 120. 125. 124. 125. 127. 128. 193, 220. 222. 225.

224.

225.

245. 250.

VI MFE

De vader der acacia!s.; door HG, ee ae RN 17

De hedendaagsche spoorwegen; door H.. ........ » De lischdodde ; door v. H. EE SSN Ar 0 OS Hoenders en eenden en B eijeren ; door D. L. eerd oh ke

Oude optische werktuigen, toegeschreven aan Zacharias Jans- sen, en eene beroemde lens van Christiaan Huygens terug-

gevonden; door P. HARTING . . . TEESE TA IED Over den oorsprong der tarwe, door D. ee ee he EE De walrosvangst op Novaja Semlja; door Dr. A. T. an PE Mededeelingen omtrent de flora van Amsterdam; door F. A.

HARTSEN: sle Aden IE al : NE hr » Het winnen van hars, en de in Nederland eet on

naaldboomen (Coniferae); door H. C. vAn Har . .... »

De werken Gods. (Eene reisherinnering); door J. v.p. HOEVEN Nader bewijs voor eene voormalige uitmonding van den Rijn in Noord-Holland; door F. W. vaN EEDEN . . . Ì » De tien-voets-kijker van Christiaan Huygens one bor HARTING . . . Bekeken Be Rt bk EN 4 » Over de maen » natie ea en Knal stel sel”, met toepassing op het mycologisch stelsel van Elias

Fries; door FP. A. HARTSEN . …/; © EEN De zandwesp (Bembexz ciliata); door Dr. ie T. Nef UE A5 Ouderdom: der boomen; door-v‚sH. Sman Aer A TE AERRED Kunstmatige vogelnesten ;-door He. sar oo Sr AAE 1 DeMammoutipdoor "P. HARTING } Plas Dn MT Blz De sprinkhanen; door v. H. . ... HED De vogelspin (Mygale avicularia) ; door D: A T. Haer nch ien Brandsienaleu door Hess. cie Ve Ne : OU De bosschen van Madera en de verandering van en blantens

groei naar de hoogte der bergen; door H. C. vaN HALL . . » Oorzaak van het rood worden van spijzen; door HARTING . . » Het versteende bosch van Atanakerdluk in Groenland; door He. » Witte mieren en middel daartegen; door v. H. . . >... » Meteoriet van’ Kniahynia; door. Hes AVS 5E RAND Pea

De vega van Murcia; door v. H. . ... he Vulkanische uitbarsting op de Sandwich- Knee en He. SPE:

251. 252. 254. 255.

257. 282. 288.

289.

802, 808.

alt.

913.

314. 816. 819. 820. 959. 950. sol. 352.

872. 878. 379. 381. 981. 983. 983.

LIJST DER AFBEELDINGEN,

SEEN :

Elephas primigenius . . ELP a EREA vo B Dr ges Bl BA Afbeelding van een iet uit de steenperiode. . . . . » 366. HOUTSNEDEN.

Doorsnede van de aarde met haren dampkring . . . Blz. 84. edm den: hemel: ear se inn nde btn adt te v Blus’ 86.987,09 Reugelvlak vaneen vogel. uwe oo er eer vero Blz. 108. BEDOEENEN OEI saleen vel deme ROS rtl eee 106% Fala EEN an EE NRE ke AE LL BRNO EAO A EE ror er je eve en | 108 OE OEEEWOMGL ALE Le laden eed oet he Miele Ol Aso ale ODE aetmopterusitwoldbansttmm ketter rt na B men date 11 Geraamte van Pterodactylus erassirostris …. . .....-. » 112, Gerestaureerde Pterodactylus Tie eene. ber arena en) oe en Pteropus vulgaris . . . Nn ADEN TUE AED verderen ae Geraamte van Pteropus Ba. EEEN POREN GAIN eist Ie. TE ESE beastelluss doe OEM neve ERN as BtB edet oer, KLE Bótstbeen van Pteropusedulie …. . ev. «net en 11% Beweging der staartvederen van een vogel . . . . « * 182 Ademhalingstoestel van een hoen . …. . Vet ores A fs RAAK Skelet van een arend met bovenwaarts en vleugels . . » 135. Trouk van het skelet vaneen gans …. . ; «’… « « « » 186.

ien eeliel GED GEN ZWEBR eve 2 ner rm el ee 0 JSO,

VIII ae

Vogelveder vete ee 4 RER ear aten ad RENE Vleugel vaneen zwaan... Jeen ERE ON: Vogel inde Vvlugbes os eet eN AN WER DABO NP ee en Be Ee EE EA Aeshna, grandis. 4 15, bb bie tn MEGEN iet ENV GAME 0D Luchtbuizen-stelsel van een meikever. . Gedeelte eener luchtbuis van een insekt . . . . ..... > Tuptla mipantea LM UE) Soer lee at LN ANNE OCO ND Spllnx Buphorbige, 27 sn sn oen eee aen ee Ke Voor- en achtervleugel van Sphinx Atropos, van onderen gezien » Oude optische werktuigen toegeschreven aan Zacharias Jans-

BORE en Ee re ee Ae VDL Or ROn Geraamte van Hlene PrimiSenmg sE fi ee od BI Kop van den Afrikaanschen en die van den inidischoh olifant . » Kies van een Indischen olifant op $ der ware grootte. . . . » Gedeelten der kaauwvlakten van kiezen van den Indischen oli-

fant, den Afrikaanschen olifant en den Mammout op 4 der

ware erootte' lm 5 de Te Oe oe en EAT

Kies van een Mammout op } der ware grootte . . .... »

TANTE BD

VAN HET

Wetenschappelijk Bijblad van het Album der Natuur.

is Sterrekunde. en Ee eg NE BEREORBOR GEN tt ek rake iten abtotdeend rele ® bun REC Eenden stemmen; ve ANS. a a or dem reaolestuts «tvid Bemrude werkzame maankrater ……. .inenaarr mee vane ek D AEO EEn ODE et ede arnbretelst rine getal

Hydrogenium in een meteoriet . ..... ss ld Eene zonsverduistering tot rectificatie der B ehehe > Verhouding tusschen de onderlinge afstanden der planeten . .

II. Aardrijkskunde.

Veranderingen in de Amerikaansche rivieren . . . . Blz.

18.

An Meteorologie.

Hoeveelheid koolzuur in de lucht boven de zee .

IV.

Proefondervindelijke natuurkunde.

Verdigting der gassen door vaste ligchamen Ontploffingsvermogen van sodium E De theorie der beweging van stroomend ae Toestel tot looding van de diepte der zee Doorgang van gassen door metaal-platen

Een nieuw blindglas voor verrekijkers

Nieuwe vergelijking van de standaardmaten uit Eteone

landen : Vlugtigheid van sommige dart in ak witgloeïhitte Over klinkende en gevoelige vlammen Telemeter heet: Magneto-elektriciteit zonder magneten Verhouding van iodzilver tot de temperatuur . Magnetisch platina zi SEPA Absorberend vermogen van En kofij voor gassen Verzilverde teleskoopspiegels . , De kwikluchtpomp van Sprengel Het bevriezen van glycerine Energeiatheken 5 Oververzadigde gasoplossingen Magnetische polariteit in ijzer opgewekt gede trilling

Overblijving van schriftletters na smelting van het metaal .

Groot brandglas . ; Ee & Werking van de ane op EE ijzer . De proef van Leslie in het groot

Buigbaar glas.

Galvanoplastiek ls:

Aanwending der photographie bi EE Physiologische werking van den elektrischen stroom Polarisatie der elektroden

Blz.

8l.

Schatting van afstanden .

Spheroidaalstaat van het lood

De reflectie-multiplicator voor fn ee

Aanbevelenswaardige combinatie voor galvanische elementen .

Ongelijkmatige aanzetting van een metaal op de elektroden

Eene mogelijke oorzaak van verschillen in het gewigt der lig- chamen S

Thermo-telegraaf ;

Natuurkundige werktuigen op Ek lane le Parijs

Ni Scheikunde.

Vergiftige bijmengselen in het brood

Hevige oxydatie-verschijnselen Mr Aeg

Giftige werking der producten van zere He

Gekristalliseerde koolstof 4

Quantitatieve bepaling van de ElotoeS in Bn is net Ee spectraal-analyse . é

Zetmeelachtige stof in eijerdooijer

Verspreiding van het iodium a ern

Gebruik van sodium bij het amalgameren van goudertsen

Inademing van protoxydum azoti

Boraluminium £

Natuurlijke terpentijn- gend £ bin

Scheikundige werking in zeer naauwe spleten

Hydraat van zwavelkoolstof 6 Ä

Thallium-alkohol, thallium-glas , groot ne fintglas f

Werking van water op metallisch lood :

Een nieuw zeer gevoelig reactief op alkaliën en aleras aarden

Metaalboomen ; Ke : TRG Î

Oxyderend vermogen van Me in kool Eine Emmer

Is het ozon, waardoor de dampkringlucht iodkalium kan ont- leden ?

XII 5 ei

VI. Mineralogie. Glyptodon IJzerberg Een der grootste danke Kleurstoffen in vloeispaath . Itacolomiet Var. Geologie.

Overblijfselen van Nothotherium en Thylacoleo

Overblijfselen van een DDR uit Zuidelijk Afrika

Fossile ossen OET EE OEREN Blink

Een fossile tusschenvorm van Neuroptera en ER .

Fossile flora van Eubea .

Dinosaurier uit de krijt-periode

Dasypus gigas

Machaerodus Ek Eenes ede EE

De fossile fauna van het steenzout van Wieliczka in Galicie

De oudst bekende overblijfsels eener landplant Leen

Overblijfsels van Moa en van een reusachtigen walvisch op Nieuw-Zeeland se de Pae his has ES

Een luchtademend weekdier en een tadbiet der holen

Grot in Illinois .…

Gastornis Parisiensis ee

Fossile rendieren in Wurtemberg é ED

Photographische afbeelding eener vulkanische tnt

VII.

Van algemeen natuurhistorischen inhoud.

Generatio spontanea VTE rr hl ANR LAT A RENE Ant Bl

Oorsprong der soorten

80.

35. 85. 66. 82.

„er,

tat Tk ix 8 12. 21. 95. 59. 61. 66.

67, 15. 82. 82. 83. 90.

17. 67.

IX. Plantkunde.

Weerstandbiedend vermogen van zaden aan de kookhitte

Varieteiten van paddestoelen . a EAD RD a

Invloed van de warmte-capaciteit des hed op den groei der planten

Vergift der teen. e behe vaer À

Verwantschap der flora van Japan met : die van Azië en ae Amerika . A kn :

Spontane bewegingen van Colocasia SRE

Snelle groei van Lycoperdon giganteum

Misvormingen als oorzaak van nieuwe plantenrassen

Aardappelziekte . :

Invloed van kwikdamp op Slaan ;

Invloed der elektriciteit op Mimosa pudica . EPN Ae

Invloed van de aswenteling der aarde op den vorm ln boom- stammen . TE ET ENNE ST

Invloed van den mest van zekere planten op hen van dezelfde soort À

Oorsprong der ve

Generatio spontanea

Ni DBierkunde.

Verdwijnen van diersoorten .

Het wilde en tamme zwijn

Spierkracht der insekten .

Rhabditis terricola . 5 } 6 MAREA tor ie Nb :

Alkalische reactie in het tama ds larve van Oli plumicornis .

De oogen der rupsen ear A8 NN AREN

Bestaan er verschillende soorten van ne RN °

at AEG reld deet ae Speet shaded er nd indi :

Kloppen van het hart der gelede dieren en der VeEM

Bouw van het hart der Gadoideën

Ontstaan van huisdier-rassen

XIII

XIV

Geographische verbreiding der papegaaien .

Zwemblaas der visschen .

Nieuw wasafscheidend insekt

Echeneis remora . ì 5

Gedaanteverwisselingen der Méloiden ;

Toeneming in grootte bij koudbloedige dieren

Oorzaken van den dood van zeevisschen in zoet water

Oorzaak van het verschil der seksen bij biijjën .

Overjarende eiijeren van zijdewormen

Ontstaan van huisdier-rassen

Pneumaticiteit der vogels

Voortplanting der Aphiden . : :

Invloed van het licht op de eieren van Musca carnaria (?) .

Afstamming der Europesche runderen .

Zee-zijde .

Over de plaats van his Helias in net ed

Nog iets over het Niata-rund .

Regeneratie der ledematen bij den Axolotl .

Enkelvoudige oogen der gelede dieren

Vergif van Bufo agua .

Cryptoprocta ferox . Ate EN : É

Verdelging van insekten in voblouisane altaetten kf

Dierlijke elektriciteit ,

Verkregen polydactylie des hals :

Gevolgen van het wegnemen der kieuwen bij den Eon

Balanoglossus .

Eijeren van Epiornis

Salamanders ER 5 NT AIP a En

Xenacanthus Dechenii, een vischvorm die Selachiers en Tele- ostiers aaneenschakelt

XI. Anthropologte.

Menschelijke overblijfselen in gronden van het diluviale tijdperk Mikrocephalen

De Polynesiërs

Theorie van den EL

» "30 » 85. » TD „wo >. sE. #3. > » 44, » 49. > nt » "30. y "ol pn Er » 70E OA » 65: » 108: » Hs De ADE A DE B “Ale De A D NSHE » 8D. » 91 . ME Blz. 4, » 4, > 9d. » iS

Oude menschelijke schedel in Californië . Spierzamentrekking SES

De anthropomorphen en de mensch . & Sporen van vroegere civilisatie in Noord-Amerika Anthropologie van Nieuw-Zeeland

Invloed van de mikroskopische organismen in den mond op de

vorming der diastase in het speeksel jk Prikkelende werking van het koolzuur op de huid .

Invloed van zuurstof en van koolzuur op de bewegingen van het

hart Ene WE Giftstoffen van epidemische ziekten Afstamming van den mensch Ouderdom der vuursteenen bijlen De Dravidische volken van Indië.

XN Verscheidenheden.

Diepe Artésische put . Ba Ten

Een verschijnsel bij strychnine-vergiftiging .

Water gevonden in een bronzen vat te Pompeji . Melk ter bewaring geschikt gemaakt . Ae Infusoriën in door kinkhoest-lijders uitgeademde lucht Menschen- en apenschedels .

Navolgenswaardig voorbeeld.

XV

ki

RENES

A

zeten ANDA OE oe Beheren NE . he Ll _ d

i Le

IETS OVER

DE ETHNOLOGIE VAN EUROPA:

DOOR

BD LEUBACH.

Wij beleven een tijd, die eenmaal als een der meest merkwaardige tijdpunten der nieuwe geschiedenis zal worden beschouwd, niet slechts om hetgeen in dien tijd is voorgevallen, maar vooral ook daarom, omdat daarin beginselen levend en zelfs gedeeltelijk geldend zijn geworden, die naar alle waarschijnlijkheid op de toekomstige lotgevallen van Europa en des menschdoms in het algemeen een allergewigtigsten invloed zullen uitoefenen en aanleiding kunnen geven tot gebeurtenissen, wier aard wij uit hetgeen reeds geschiedt kunnen vermoeden , maar waarvan wij de gevolgen in hunne geheele uitgestrektheid met geene mogelijkheid kunnen berekenen. De geschiedenis wijst op meer zulke keerpunten ; om niet te ver terug te gaan, wijs ik op twee daarvan: het tijdperk der renaissance en dat der eerste Fransche revolutie.

Onder die beginselen, die beginselen van onzen tijd mogen heeten, niet zoo zeer omdat hun inhoud vroeger geheel onbekend was, maar omdat men ze nu als beginselen heeft begonnen te formuleren en ge- deeltelijk reeds dààr, waar het eigenbelang zulks raadde, in praktijk gebragt of getracht heeft te brengen, zijn er twee van het hoogste politieke en maatschappelijke belang. Het een is het beginsel der nat? onaliteit, het andere het beginsel der wolkenvereeniging, dat onder zekere omstandigheden beginsel van aanhechting (annevatie) wordt. Het nationaliteits-beginsel wil, dat elke nationaliteit, of liever elk volk, dat eene eigene nationaliteit bezit, regt heeft op een onafhankelijk , zelfstandig politiek volksbestaan, en om, zoo het aan een volk van eene andere nationaliteit is onderworpen geraakt of daarmede vereenigd is

1867. et:

2 IETS OVER DE ETHNOLOGIE VAN EUROPA.

geworden, de gehoorzaamheid of de vereeniging op te zeggen en zich daarvan des noods met geweld te ontslaan. Het beginsel der volken- vereeniging wil, dat de kleinere volken zich onderling zullen vereeni- gen en zoo doende grootere volken vormen, of zich zullen aansluiten aan eene reeds bestaande grootere natie ten einde daarin op te gaan.

Het kan aan geen mijner lezers onbekend zijn, dat in de laatste jaren het nationaliteitsbeginsel menige malen is ingeroepen tot regt- vaardiging van opstand en afval, en dat nog kort geleden een, zoo als verzekerd wordt, zich meer en meer openbarend streven der kleinere nationaliteiten om zich aan grootere aan te sluiten, onder meer is aan- gevoerd geworden om daarmede maatregelen goed te maken, die overi- gens met de gewone denkbeelden van regt en zedelijkheid tamelijk in tegenspraak schijnen. Rusten die beide beginselen op deugdelijke gronden? Zijn zij bestaanbaar voor de regtbanken van verstand en zede- lijkheid? En bestaat er mogelijkheid die beide beginselen, die lijnregt met elkander in strijd schijnen, met elkander in overeenstem- ming te brengen of het eene door het andere aan te vullen? Zie daar vragen, wier beantwoording ongetwijfeld van hoog belang is! De regtstreeksche beantwoording er van kan, in haar geheel, geen onder- werp uitmaken voor een opstel in een tijdschrift, aan de beoefening der natuurwetenschappen gewijd. Maar tot de natuurwetenschappen behoort de ethnologie of wetenschap der menschenstammen en verscheidenheden ; en het kon zijn, dat eene beschouwing van den ethnologischen toe- stand van Europa in staat was over die vragen eenig licht te ver- spreiden, althans om ons op den weg te brengen tot eene regte beoordeeling van het min of meer zatuurlijke der boven aangeduide be- ginselen. Ik zal daarom in de volgende bladzijden een beknopt overzigt geven van de ethnologie van Europa, en daaraan ’teen en ander toe- voegen, waarvan de overweging in onzen tijd allezins verdient te worden aanbevolen.

IL.

Het kan geen mijner lezers onbekend zijn en het wordt trouwens in de kleinste schoolboekjes over natuurlijke geschiedenis geleerd, dat men

de verschillende volkstammen, die de aarde bewonen, klassificeert in

IETS OVER DE ETHNOLOGIE VAN EUROPA. ö

zekere algemeene hoofdgroepen, wier aantal verschilt naar mate van de zienswijze en de opvatting der ethnologen, doch waarvan op het voetspoor van BLUMENBACH doorgaans vijf worden aangenomen, te weten de Kaukasische, Mongoolsche, Ethiopische, Maleische en Amerikaansche hoofdgroepen *). Over de betrekkelijke waarde van deze en van andere klassificatiën te spreken is het hier de plaats niet; ook over de kenmer- ken en eigenschappen van de vijf hoofdgroepen van BLUMENBACH behoeven wij niet uit te weiden, daar zij, in de hoofdtrekken althans, vrij bekend zijn. Genoeg is het te herinneren, dat alle volken van Europa tot de Kaukasische hoofdgroep behooren. Vroeger zonderde men de Laplanders en de Hongaren daarvan uit en bragt die tot de Mongoolsche hoofdgroep en nog doen sommigen zulks. Doch alles schijnt er voor te pleiten om die volken te doen houden voor naauw verwant aan de Finnen, Esthen, Lieven, Tschuden, Wogulen en Ostjaken, en om ze alzoo te brengen tot de Uegrisch-Tataarsche onderafdeeling van de Kaukasische hoofdgroep. Ook de Turken heeft men tot de Mongolen gebragt; het is evenwel betwij- felbaar , of de stam , waartoe zij behooren , wel tot de eigenlijke Mongolen kan gerekend worden en niet veeleer tot een stamgroep , die als ’t ware den overgang tusschen de Kaukasiers en Mongolen uitmaakt.

Wat nu aanbelangt de voorname ligchamelijke eigenschappen, die de Kaukasische groep van de overige vier hoofdgroepen onderscheiden, zoo zijn deze ongeveer de volgende. De vorm des schedels is steeds ovaal, maar op verschillende wijze. Immers men neemt lang-ovale en kort- ovale, tot het ronde naderende schedels waar, met een aantal tusschen- vormen en overgangen. Met het aangezigt is het even zoo gelegen; het is in ’t algemeen ovaal, maar meer of minder lang of kort ovaal. De wangbeenderen steken weinig uit; de neus, hoewel van zeer onder- scheiden vorm, is altijd vooruitstekend en wèl afgescheiden van de wangstreken, d.i. niet met de wangen als ’t ware ongevoelig ineen- vloeijende. De spleet der oogleden is horizontaal; de lippen niet dik noch omgekruld. De bovenkaak steekt niet of zeer weinig naar voren uit, en de tanden staan nagenoeg loodregt. Bij de Kaukasiers, die Europa bewonen, is de huidkleur, gelijk men het noemt, blank, doch in zeer

1) Daar op deze benamingen zeer gegronde aanmerkingen te maken zijn, heb ik voorgesteld die hoofdgroepen te benoemen naar het werelddeel, waarin elke in elk opzigt zijne grootste ontwikkeling heeft bereikt. Men krijgt dan een Europeesche, Aziatische, Afrikaansche, Indo-Australische en Amerikaansche hoofdgroep.

1%

Á IETS OVER DE ETHNOLOGIE VAN EUROPA,

verschillende tinten, en wanneer men de kleur van een Zweed of Noord- Duitscher met die van een bewoner van Zuidelijk Italië of Spanje ver- gelijkt, dan is deze laatste ter naauwernood blank, maar eerder bruin of geel te noemen. Ja eenige Kaukasische volken in Afrika en Azië (de Abyssiniërs en vele Hindoe’s) zijn zeer bruin, ja zwart. Het haar der Kaukasiers is doorgaans lang, en ’tzij regt, ’t zij krullend, soms kort en krullend, nooit echter wollig; de kleur er van is zwart, bruin of blond, de beide laatste kleuren in de meest verschillende schake- ringen. De baard is meestal digt, en zoo het haar bruin of blond is, doorgaans iets lichter van tint dan het hoofdhaar. De oogen zijn blaauw of bruin, maar mede in zeer verschillende tinten ; bij zwart haar treft men @% den regel bruine, bij bruin en blond haar blaauwe oogen aan *).

De Kaukasische hoofdgroep wordt weder in verscheidene rassen ver- deeld, die ieder weder in eenige familiën gesmaldeeld worden. In mijne Bewoners van Nederland (Haarlem 1863) heb ik zes zoodanige rassen of kleinere groepen aangenomen, t. w. 1) het Zudo-Wuropeesche, 2) het Semitische, 8) het Zgypto-Mauretanische, 4) het Ugrisch-Tutaarsche, 5) het Zilyro-lberische, 6) het Dravidische of Telingaansche.

Voor wij nu verder gaan en een blik werpen op de volken van Europa, om na te gaan tot welk dezer rassen elk daarvan behoort, moet ik eerst eenige opmerkingen van historisch-ethnologischen aard laten voorafgaan , zonder welke het niet mogelijk is zich een denkbeeld van den tegenwoordigen toestand van Europa te vormen.

De tegenwoordige bewoners van Europa stammen af òf van zoodanige volken die in ouden of ook in betrekkelijk nieuweren tijd van elders daarheen verhuisd zijn , òf van volkstammen, die reeds vóór die volken hier kwamen dat werelddeel bewoonden. Aan deze laatsten geeft men den naam van oorspronkelijke bewoners, autochthonen, aborigines. Men

wil met die benamingen niet beweren, dat ook zij niet eenmaal van el-

1) Voor een aantal afdeelingen van de Kaukasische hoofdgroep is zwart, voor anderen blond haar karakteristiek. Wat het bruine haar betreft, dit kan het gevolg zijn van de kruising van zwart en blond ras, maar naar mijn oordeel is het even - dikwijls of meermalen slechts een donkerder tint van blond , welke laatste kleur in tint zeer onderscheiden is, waarschijnlijk ten gevolge van verschil van klimaat, voeding, levenswijze enz. De kleur der oogen (der iris) schijnt bij de verschillende Kauka- sische rassen standvastiger te zijn dan die van het haar, en men kan in den regel aannemen, dat, wanneer bruine haren met zuiver grijze of blaauwe oogen vergezeld gaan, zij als blond moeten worden beschouwd, terwijl bruine of gemengd gekleurde oogen met bruin haar wijzen op eene vermenging van zwart en blond,

IETS OVER DE ETHNOLOGIE VAN EUROPA, 5

ders in Europa gekomen, en dat zij dus als ’t ware uit den bodem van Europa zelve ontstaan zijn, maar alleen dat ze reeds in voor-historischen tijd in Europa woonden en men van hunne eigenlijke herkomst niets weet. Die laatste oorspronkelijke, ingeborene, autochthone stammen waren weêr van elkander zeer onderscheiden. De meest bekende zijn de JZberen, die het Pyreneische schiereiland bewoonden, de Gallen of Kelten, die in Gallië, het tegenwoordig Frankrijk en België, te huis behoorden, en waarmede de Bretten en de andere oorspronkelijke be- woners van Britannië en Hibernië naauw verwant waren, voorts de Finsche stammen, die Scandinavië (Zweden, Noorwegen en Denemar- ken), Noord-Duitschland en een groot deel van Rusland bewoonden, en eindelijk een aantal stammen, die men , hoe zij ook onderling mogen verschild hebben, met den algemeenen naam van Zllyrische bestempelen kan, en die in de Donaulanden, in Griekenland en in Italië gezeteld waren. Deze en andere met hen min of meer verwante stammen bedekten geheel Europa; zij stonden althans de meesten ten tijde van de ver- huizing der Aziatische stammen, waarover wij zoo straks gaan spre- ken, op zeer lagen trap van beschaving; de Finsche stammen waren waarschijnlijk voor een deel Nomaden. De steenen werktuigen en wapens, die men overal in Europa in het diluvium vindt, zijn van deze oorspronkelijke volken afkomstig. Er zijn eenige aanduidingen, dat de Iberiërs van de noordkust van Afrika afkomstig kunnen zijn geweest.

In Azië, en wel op de bergvlakten van Midden-Azië, woonde van ouds af een groep van volken, die in afstamming en taal zeer aan el- kander verwant waren. Of deze volken een naam hadden, waarmede zij zich gezamenlijk benoemden, is onzeker, maar niet waarschijnlijk ; men noemt ze evenwel met zulk een gemeenschappelijken naam _Arya’s, hetgeen zeggen wil edelen, woortreffelijken. Een der tot deze groep be- hoorende volken is inderdaad reeds in de oudheid met dien naam be- kend; het zijn de Ariërs of Arianen uit het land Aria, het tegenwoor- dige Iran, in de Zend-Avesta Eriene.

Hetzij nu overbevolking hen er toe noodzaakte, hetzij zij door uit het oosten opdringende volken van hun eigen ras, op hunne beurt opgedrongen door Mongoolsche stammen , in de engte gebragt werden, op verschillende tijden verhuisden groote Arische stammen naar elders en trokken deels westwaarts, deels zuidwaarts, deels ook noord-west-

waarts en oostwaarts, terwijl zij, overal waar zij in Azië of Europa

6 IETS OVER DE ETHNOLOGIE VAN EURORA.

kwamen, de oorspronkelijke bewoners aan zich onderwierpen of soms uitroeiden.

Zoo zetten oudtijds, tusschen 1160 en 640 v. Chr., de Arische stam der Meden zich nabij de Kaspische zee neder en in 625 v. Chr. viel het groote rijk der Semitische Assyriërs voor den Medischen koning CYAXARES en den opgestanen landvoogd der Babyloniërs NABOPALASSAR. Het bergvolk der Perzen, dat in 558 onder crrus de groote Perzische monarchie stichtte, was mede een Arisch en naauw met de Meden verwant volk.

In een tijd, die moecijelijk te bepalen is, trok een ander Arisch volk, dat der Pelasgen, eerst naar Klein-Azië, en in later tijd naar het land, dat nu Griekenland genoemd wordt. Het onderwierp zich daar de oorspronkelijke inwoners, en een zijner stammen, die der Hellenen, gaf aan het land den naam van Hellas. Eenige Pelasgische stammen trokken naar Italië en vermengden zich daar met de inboorlingen of bragten ze onder het juk; andere, in Klein-Azië terug gebleven, komen in de geschiedenis als Phrygiërs, Lydiërs en Kariërs voor.

Op andere tijden braken weêr andere Arische stammen uit Azië op en trokken noord-westwaarts. Om van de Kelten niet te spreken , om- trent wie steeds nog eenige onzekerheid heerscht, zoo waren dit de Germanen, en, geruimen tijd nadat de laatste stammen van dezen Europa waren binnengetrokken, de Slawen.

Andere Arya’s begaven zich zuid-oostwaarts, kwamen eerst in Boven- Indië en breidden zich van lieverlede verder zuidwaarts uit. Van hen stammen de Brahmanische Hindoes af.

Al deze volken spraken dialekten van eene en dezelfde taal, welke dialekten zich, toen ieder volk van den hoofdstam afgescheiden was en daarmede niet langer in gemeenschap stond, zelfstandig ontwikkelden tot van elkander zeer verschillende talen: het Zend, de verschillende Grieksche tongvallen, het Zatin, de Germaansche. taaltakken, de Slawische talen, en eindelijk het Sanskrit met de daarvan afgeleide talen.

Wat al veranderingen deze Arische volksverhuizing in Europa te weeg bragt, en welke van die Arische stammen de lotgevallen waren, behoort tot het gebied der geschiedenis. Laat ons hier slechts nagaan, hoe Europa zich ongeveer vertoonde ten tijde van den bloei van het Romeinsche rijk.

In Griekenland en Italië vinden wij de Pelasgische stammen heer-

IETS OVER DE ETHNOLOGIE VAN EUROPA. 7

schende; zij hebben de oorspronkelijke inwoners geheel in zich opge- nomen. In Hispanië vinden wij nog de Iberen, aan de zeekust met Pelasgische (Grieksche) en Semitische (Phoenicische en Carthaagsche) elementen, en in het zoogenaamde Keltiberië met aankomelingen uit het noorden van Gallië van Keltisch-Germaanschen stam vermengd. In Gallië wonen mede nog de oorspronkelijke bewoners, doch in vele streken sterk vermengd met Kelto-Germanen (Kymren, Kimbriers), die zich lang geleden daar vaste zitplaatsen en niet zelden het oppergezag heb- ben weten te verwerven. Iets dergelijks heeft ook in Britannië plaats, waar de inwoners van het tegenwoordig Engeland en Schotland hier en daar met Noord-Germanen vermengd zijn geraakt, gelijk door de Ger- maansche elementen der Walsche en Gaelische talen bewezen wordt. In Belgisch Gallië begint men zuivere Germanen aan te treffen, en aan de overzijde van den Rijn is alles Germaansch, noordwaarts tot het noorden en oosten van Scandinavië, waar nog onafhankelijke Finsche stammen leven, en oostwaarts tot den Weichsel. Over den Weichsel wonen deels Finsche, deels Slawische stammen; in de aan den Donau grenzende landen en meer noordwaarts Illyrische, hier en daar, waar zij aan het Grieksche schiereiland palen, in meerdere of mindere mate gehelleniseerd.

Weldra doet zich in de landen van zuidwestelijk Europa de invloed der Romeinsche heerschappij krachtig gevoelen. Vooral Hispanië en Gallië ondervinden dien invloed. Wij nemen hier gedeeltelijk over wat wij daarvan elders *) hebben gezegd. „Die landen, Hispanië en Gal- lië, eenmaal voor goed aan de Romeinen onderworpen, werden door talrijke Romeinsche krijgsbenden bezet, door Romeinsche landvoogden en een heir van Romeinsche ambtenaren bestuurd, en bovendien zette- den zich daar met den tijd een aantal Romeinsche of althans Italische en dus latijnsprekende familiën neder. De troepen, die deze winge- westen aan Rome moesten leveren, keerden na volbragte langdurige krijgstogten in verre landen voor een groot deel gelatiniseerd in het vaderland terug. De latijnsche taal was er niet alleen de officiële taal, maar werd langzamerhand de gewone taal van de hoogere standen der Hispaniërs en Galliërs, en wijzigde met den tijd ook de door de lagere standen gesproken wordende dialekten, vooral in de steden en

overal waar zeer vele Romeinen gevestigd waren, zooals in Gallië,

1) De bewoners van Nederland, blz. 94.

8 IETS OVER DE ETHNELOGIE VAN EUROPA,

b. v. in de Provincia Narbonensis, het latere Provence en Languedoc. Met de taal der Romeinen drongen ook in meerdere of mindere mate hunne zeden, gewoonten en inzigten in, in één woord, de bewo- ners van Hispanië en Gallië werden geromaniseerd , en ofschoon dit in de eene landstreek sneller, in de andere langzamer geschiedde, in de eene vollediger, in de andere minder volledig plaats had, en in beide genoemde landen hier en daar op het platte land nog langen tijd Iberi- sche en Gallische tongvallen gesproken werden, zoo drong die romani- sering toch zóó diep door, dat geen der Germaansche stammen, die in de laatste tijden van het Westersch-Romeinsche rijk die gewesten ver- meesterden , daartegen iets vermogten, maar zelve zich aan die romani- sering moesten onderwerpen”

De Germaansche Gothen vermeesteren later Hispanie, die Gothen en de mede Germaansche Borgonden gedeelten van Gallië; de Salische Franken, afkomstig uit het tegenwoordige Overijssel, een deel van Gelderland en aangrenzende landen, maar die de Bataven en de Bel- gische Germanen in zich opnemen, veroveren Gallië en stichten daar het Frankische rijk. De Langobarden, ook Germanen, maken zich meester van Noord-Italië, waar zij een Langobardisch (Lombardisch) rijk stichten; de Anglo-Saksen (Saksen, Anglen, Juten en Friesen) veroveren Britannië. Maar alleen in Britannië blijven de nakomelingen der Anglo-Saksische veroveraars Germanen, en hunne taal, schoon deels door het Britsch, deels door het Fransch der latere Normandische ver- overaars gewijzigd, verloochent nog heden zijne Germaansche afkomst en zijn Germaanschen aard niet. Maar voor de Gothen, de Borgonden, de Franken, de Langobarden zijn de taal en de beschaving, die zij in de door hen veroverde landen aantreffen, te magtig; zij schikken zich, schoon overwinnaars, in dit opzigt naar de overwonnene geromaniseerde bevolking en worden zelven geromaniseerd.

Het germaniseren van overwonnen volken door Germaansche stammen heeft zich dan ook in de tijden, waarover wij thans spreken en later, bepaald tot Britannië en eenige Slawische stammen aan de oostelijke grenzen van Germanie, b.v. de Sorbische bewoners van Meissen, de Sileziers, de Pommeren, de Pruissen en enkele andere kleine volkjes van Slawischen en Finschen stam. Daarentegen is de Germaansche be- volking van het oostelijk gedeelte van Duitschland en van het eigenlijke Oostenrijk vrij sterk met Slawisch bloed gemengd.

IETS OVER DE ETHNOLOGIE VAN EUROPA. 9

Wat de Slawen aangaat, zij hebben de talrijke Finsche en zooge- naamde Illyrische stammen, die als oorspronkelijke volken oostelijk en zuid-oostelijk Europa bewoonden, geheel geslavoniseerd, zoodat het thans van vele der daar wonende volken moeijelijk is te zeggen, of zij al dan niet van echt Slawischen oorsprong zijn. Ook Griekenland , ofschoon daar nog steeds grieksch gesproken wordt, heeft hun invloed in hooge mate ondervonden en, terwijl het Slawische bloed zich in verscheidene streken in ruime mate met het Grieksche heeft vermengd , ja hier en daar de geheele bevolking eigenlijk Slawisch schijnt te zijn, heeft ook de taal, niet alleen wat de woorden, maar ook wat de grammatica aanbelangt, veel Slawische elementen moeten aannemen.

EE:

Leggen wij nu de kaart van Europa voor ons en gaan wij na, hoe- danig de tegenwoordige ethnologische toestand van dat werelddeel is.

Wij beginnen met Ztalië , de bakermat van het Romanisme of Latinisme, dat zich, gelijk wij zagen, in den tijd over Spanje en Gallië of Frank- rijk heeft uitgebreid. De bevolking van Italië is welligt nergens ge- heel onvermengd; de meest in ’toog loopende en thans nog meest kenmerkende vermengingen bestaan in het noordelijkste en het zuide- lijkste gedeelte. In het noorden toch, vooral in Lombardije, is de ver- menging met Germaansch bloed zeer sterk en in het uiterlijk en den geestes-aanleg der bewoners duidelijk waar te nemen. In het zuiden (Napels en Sicilië) heeft eene niet onbelangrijke vermenging met Arabisch en Saraceensch bloed plaats gegrepen.

Behalve de oorspronkelijke Iberische stammen, hebben Phoeniciers en Carthagers, Grieken en vooral Romeinen, later Gothen en Wandalen en eindelijk de Arabieren bijdragen tot de bevolking van Spanje en Portugal geleverd. Het geheel is volkomen geromaniseerd. Alleen de Basken, zoo men gelooft zuivere en onvermengde nakomelingen der oude Iberen, hebben, met hunne overoude zeden, ook eene cigene, van het Spaansch geheel verschillende taal behouden.

Aangaande de bevolking van Mrankrijk, die vrij gemengd is en waar in eenige provinciën het Gallische, elders het Germaansche elec-

ment de overhand heeft, behoeven wij na het vorige niets meer te

10 IETS OVER DE ETHNOLOGIE VAN EUROPA,

zeggen. Alleen herhalen wij, dat zij geheel geromaniseerd is, met uitzondering van een deel van Bretagne , waar het Gaelische Bretonsch, van den Elsas, waar het Hoogduitsch, en van Fransch Vlaanderen, waar het Nederduitsch de volkstalen zijn.

Ook in België zijn twee talen als volkstalen bekend. De eene is het Wallonsch, eene Romanische, d. i. van het in het dagelijksch leven gesproken latijn afkomstige taal. De andere is het Nederlandsch. of Vlaamsch. De provinciën, waar het Wallonsch gesproken wordt, hebben eene vrij gemengde (Gallische en Germaansche) bevolking, die echter grootendeels geromaniseerd is; die der Vlaamsch sprekende gewesten is niet alleen in taal, maar ook in physische hoedanigheden, in zeden , begrippen en denkwijze vrij zuiver Germaansch.

De bevolking van het koninkrijk der MNederlanden is geheel Ger- maansch; in Limburg en welligt in een klein gedeelte van Noord- Brabant met eenige Wallonsche elementen. Zngelands bevolking is, met uitzondering van Wales en Cornwallis, Germaansch. Al greep er van ouds af eene vrij sterke vermenging van Britsch met Anglo-Saksisch bloed plaats, zoo heeft over ’t geheel het laatste verreweg de overhand behouden. De Normandiers, die Engeland in 1066 veroverden, waren zelven Germanen (Scandinaviers), al waren zij mede geromaniseerd ge- worden. Im Wales en Cornwallis bestaat nog de Britsche bevolking en taal in betrekkelijke zuiverheid. lets dergelijks heeft in Schotland plaats; de Laaglanders zijn over ’t geheel zuivere Noord-Germanen, zuiverder welligt nog dan in Engeland; in de bergstreken (Hooglanden) en op de Hebriden daarentegen vindt men de zuivere afstammelingen der oude Gaelische inboorlingen, die echter, gelijk wij reeds vroeger aanmerkten , van onheugelijke tijden af reeds met Noord-Germanen in zekere mate waren gemengd geraakt. De Shetlandsche eilanden daar- entegen hebben eene Scandinavische (Noordsche) bevolking. In Zerland is het meerendeel der bevolking Oud-Hibernisch; het Saksische (Engel- sche) element heeft het niet kunnen doordringen.

Zwitserland is gedeeltelijk Romanisch, gedeeltelijk Germaansch. De Romanische kantons zijn echter nog verschillend. In het westen de zoogenaamde Fransche (la Swtsse Romande), in het zuiden de Italiaan- sche kantons, terwijl in de Rhaetische Alpen (Graauwbunderland) nog de zich noemende Romanen of Chur-Wälschen wonen, die eene gedeel- telijk van het latijn afkomstige, eigenaardige taal spreken.

IETS OVER DE ETHNOLOGIE VAN EUROPA, Ti

Om hier de lijst van de Romanische volken te sluiten, maak ik nog gewag van de Roemanje of Wallachen, die Wallachije en Moldavie bewonen. Echter moet gezegd worden, dat bij dezen, evenals bij de Rhaetische Romanen, de romanisering slechts bestaat in de taal, geenszins in het volkskarakter en de zeden.

Wij zagen dat, om van den HElsas en Fransch Vlaanderen in Frankrijk niet te gewagen, België en Zwitserland gedeeltelijk, Groot-Britannië grootendeels, Nederland geheel Germaansch zijn.

Voor wij nu de verdere Germaansche volken gaan opnoemen , moeten wij over de beteekenis van Germaansch en Duitsch een enkel woord zeggen. Germaansch is niet gelijkluidend met Duitsch. De Scandina- viers (Zweden, Noorwegers en Denen) zijn Germanen, maar geene Duitschers. Ook zijn van ouds de stammen, waarvan de Anglo-Saksen hun oorsprong hebben ontleend, (Juten, Anglen, Oud-Saksen en Friesen) nooit Duitschers genoemd geworden, evenmin als de Engel- schen. Wel is waar zijn, terwijl de Juten gedaniseerd zijn geworden, de Anglen en Oud-Saksen, met andere woorden de hedendaagsche Slees- wijkers, Holsteiners, Oldenburgers en Oost-Friesen langzamerhand ver- duitscht, maar nog in 1480 vernieuwden te Aurich de Oost-Friesen met de overige Friesen het verbond van den Upstalsboom tot bescherming togen de Duitsche vorsten, gelijk zij uitdrukkelijk worden genoemd, en nog in de vorige eeuw wierpen de aan hunne nationaliteit nog gehechte Oost-Friesen, evenals hunne westelijke stambroeders heden ten dage nog doen, den naam van Duitschers, ’t zij Hoog- ’t zij Nederduitschers , ver van zich af.

Wat nu Scandinavië aangaat, zoo zijn, gelijk wij zeiden, de Denen, Noren en Zweden allen Germanen en naauw aan elkander verwant. Echter zijn de Denen en Noren dit onderling meer, dan met de Zwe- den; de Deensche en Noorsche talen hebben dan ook groote overeenkomst met elkander, terwijl het Zweedsch meer afwijkt. Aldie talen vinden haren wortel deels in het Oud-Noorsch, dat nog op IJsland gesproken wordt, deels ook, wat het Zweedsch aanbelangt, in het Gothisch of in eene daarmede verwante Noord-Germaansche taal. De Denen, dit moeten wij nog opmerken, vinden wij in de oudste tijden alleen op de oostelijke eilanden; het vasteland en de westelijke eilanden waren door Juten, Anglen en Saksen bewoond, waarvan echter de eersten gedani- seerd werden.

12 IEIS OVER DE ETHNOLOGIE VAN EUROPA.

Wij komen nu tot Duitschland, en, oppervlakkig beschouwd, zou men meenen, dat daarover weinig anders te zeggen viel, dan dat het door Germanen en wel door Duitschers bewoond wordt. Wanneer men ook wilde afgaan op wat de voorvechters der Duitsche eenheid verkondigen, en wat het in aller monden bestorvene volkslied van Arnpr zegt, dan zou men gelooven, dat de bevolking van Duitschland al vrij homogeen moet zijn, en dat b.v. hij, die een inboorling is van

das Oesterreich An Ehren und an Siegen reich, even goed het land

wo der Sand der Dinen weht

als zijn vaderland zou kunnen beschouwen als het aartshertogdom waar hij en zijne voorouders woonden, en dat omgekeerd de Noord- Duitscher in Schwabenland en Baterland zijne Heimathterugvindt. In- tusschen is het er verre van af dat dit het geval zoude zijn. De Duit- schers zijn bij lange na geene homogene natie; zij bestaan uit een aantal volken, enderling, als Germanen, met elkander na verwant, maar overigens zeer van elkander onderscheiden. De algemeene naam van Duitschers komt zelfs betrekkelijk laat in de geschiedenis voor; teerst schijnt hij aan de taal gegeven te zijn om de land- en volks- taal (lingua vernacula, vulgaris) te onderscheiden van het latijn of fransch, en men ziet dien naam als zoodanig voor het eerst verschijnen in oorkonden der 9de eeuw, terwijl Duitsch eerst later dient om de ge- zamenlijke volken aan te duiden, die tongvallen van die taal spreken. Vóór dien tijd kende men Saksen, Thuringers, Schwaben, Baiern, Franken, maar een algemeene naam om die allen gezamenlijk mede aan te duiden had men niet.

Ook de naam van Germanen daargelaten nog zijne meer ruime be- teekenis, is in oude tijden bij de Germanen zelven nooit gebruikelijk , noch zelfs bekend geweest, behalve bij de geleerden, die hem bezig- den op gezag der Grieksche en Romeinsche schrijvers, en moeite deden om te weten te komen van waar de Grieken en Romeinen dien naam toch wel gehaald hadden en wat hij eigenlijk beteekende.

Wat nu de verschillende Duitsche volken aangaat, zoo moeten wij, indien wij ons